Grensoverschrijdende inspiratie

RKD STUDIES

1.2 Verbreding van het blikveld

Maar sindsdien is het beeld van de kunst van de Hollandse Gouden Eeuw ingrijpend veranderd. Het is veel minder Hollands geworden, en niet meer uitsluitend gesitueerd in de economische hoogtijdagen van de Republiek. In 1986 onderstreepte de tentoonstelling Kunst voor de Beeldenstorm in het Rijksmuseum dat in Nederland ook in de zestiende eeuw al kunst van betekenis gemaakt is. Twintig jaar later werden met de tentoonstelling De kroon op het werk in het Dordrecht Museum laat zeventiende-eeuwse en vroeg achttiende-eeuwse kunstwerken in de traditie van de Hollandse Gouden Eeuw ingesloten.

Niet alleen de periodisering veranderde. In 1981 liet de tentoonstelling God en de Goden zien hoeveel van Rembrandts Hollandse tijdgenoten religieuze of mythologische thema’s verbeeld hadden, en dat de vereenzelviging van de Hollandse kunst met huiselijke taferelen en reproducties van het polderlandschap bijstelling behoefde. De tentoonstelling Nieuw licht op de Gouden Eeuw in 1986 in het Centraal Museum gehouden, markeerde de gedachte dat ook de Hollandse kunstenaars die zich aan de Italiaanse zon gewarmd hadden een plaats verdienen in de nationale canon. En zo ging de kunst van de Gouden Eeuw een periode omvatten van 1525 tot 1750, met zowel nederige stillevens als complexe allegorieën, en met zowel monochrome landschappen als het dramatisch chiaroscuro van de Utrechtse Caravaggisten.

Ondertussen veranderde de visie op de kunst van de negentiende eeuw evenzeer. Een belangrijke bijdrage daaraan leverde Gabriël P. Weisberg. Al decennia lang bestudeert hij het internationale naturalisme. In de tentoonstelling over het naturalisme die hij in 2010-2011 voor het Van Goghmuseum samenstelde konden we zien hoeveel verwantschap er is tussen de naturalistische schilderijen uit vele landen. Werken van de Fransman Jules Bastien Lepage, de Zweedse schilder Anders Zorn, diens Duitse collega Fritz von Uhde, de Amerikaan Birge Harrison en de Fin Albert Gustaf Aristides Edelfelt, hebben allemaal weliswaar een regionaal accent, maar daarnaast vooral veel overeenkomsten.

Ook werken van Nederlandse kunstenaars als Jozef Israëls voegen zich moeiteloos in dat tableau. Diewertje Dekkers belichtte dat in haar dissertatie over Israëls uit 1994. Ze liet daarin zien dat het vissersgenre waarmee Israëls groot werd langs alle Europese kusten in zeer vergelijkbare vorm kan worden aangetroffen. De internationale atmosfeer van de Nederlandse Romantiek was ook een van de centrale gedachten in de tentoonstelling die in 2005 in de Rotterdamse Kunsthal werd gehouden. Vanuit die context is een vergelijking tussen bijvoorbeeld Cornelis Krusemans Italiaanse tafereel Een van zin uit 1830 [3], en Italia en Germania uit 1828 [4] van Friedrich Overbeck, de Duitse romanticus bij uitstek, alleszins overtuigend.1 Een van de medewerksters aan die Rotterdamse tentoonstelling, Jenny Reynaerts, was enkele jaren eerder gepromoveerd op een studie naar de geschiedenis van de Koninklijke Academie van beeldende kunsten. Zij constateerde daarin dat al rond het midden van de negentiende eeuw het idee dat die academie een nationale schilderschool moest gaan opleiden niet levensvatbaar bleek te zijn, onder meer omdat de academie per definitie internationale pretenties had.

3
Cornelis Kruseman
Een van zin, 1830 gedateerd
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. sk-a-1070

4
Friedrich Overbeck
Italia und Germania, 1828 gedateerd
München, Neue Pinakothek


Notes

1 R. de Leeuw, J. Reynaerts en B. Tempel, Meesters van de Romantiek. Nederlandse kunstenaars 1800-1850, Zwolle 2005, pp. 15, 154-155, 219; G. van der Ham e.a. (red.), Nederlandse kunst in het Rijksmuseum 1800-1900, Amsterdam/Zwolle 2009, p. 98.