Grensoverschrijdende inspiratie

RKD STUDIES

1.3 Reizende kunst en kunstenaars

Dat er een kruisbestuiving plaatsvond tussen Nederlandse en buitenlandse kunst was alleen al onvermijdelijk door de gestage stroom buitenlandse kunstenaars die naar Nederland kwamen. Het onderzoek van Hans Kraan, uitmondend in de dikke studie Dromen van Holland uit 2002, geeft een overzicht van die bezoekersstromen. Het omgekeerde, namelijk de reizen van Nederlandse negentiende-eeuwse kunstenaars naar het buitenland, is nog niet systematisch onderzocht. Een kleine steekproef, over het eerste en het derde kwart van de eeuw, in de database van het RKD - Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag geeft een voorlopige impressie. Bij ongeveer 35 procent van de kunstenaars, werd in het veld ‘Plaats van werkzaamheid’ enig buitenland genoemd. Vaak was dat Frankrijk, Duitsland, of België, en vooral in het derde kwart van de eeuw daarnaast nagenoeg alle andere landen van Europa en zelfs geregeld daarbuiten. Die 35 procent is op zich een zeer aanzienlijk getal. Daarbij heb ik nog buiten beschouwing gelaten of iemand in het buitenland geboren was dan wel overleden. En bovendien zullen de gegevens van het RKD, hoe rijk de database ook is, vast niet compleet zijn, en zullen er wellicht nog veel meer Nederlandse kunstenaars in het buitenland geweest zijn.

Voor kunstwerken was een buitenlandse reis natuurlijk nog veel gemakkelijker dan voor kunstenaars zelf. Chris Stolwijk berekende dat in de tweede helft van de negentiende eeuw van ruim 700 verschillende buitenlandse kunstenaars werken op de Nederlandse tentoonstellingen aanwezig zijn geweest.1 Op de Amsterdamse tentoonstelling van 1860 bij voorbeeld was 30 procent van de ingezonden werken uit het buitenland afkomstig.

Hoeveel Nederlandse kunstwerken in de negentiende eeuw geëxporteerd zijn is zelfs niet bij benadering te zeggen, maar ik denk dat we de neiging hebben die aantallen ernstig te onderschatten. De kunsthistoricus en bohemist Michael Huig wees me er een aantal jaren geleden op dat werken van Charles Leickert, Andreas Schelfhout, Antonie Waldorp, George Gillis Haanen en vele anderen vertegenwoordigd waren op de tentoonstellingen in Praag in de jaren 1840-1850, ondanks het feit dat de Boheemse tentoonstellingsorganisaties altijd klaagden over de Oostenrijkse tol die de invoer van kunstwerken zou belemmeren. En de Hongaarse kunsthistoricus Ferenc Matits stuurde me eens een overzicht van de vele negentiende-eeuwse Nederlandse kunstwerken in het Museum voor Schone Kunsten in Budapest, met de vraag hoe die daar gekomen waren. Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. Inmiddels heeft het onderzoek van Manon van der Mullen naar de activiteiten van Remigius Adrianus Haanen als kunsthandelaar in onder andere Wenen, Frankfurt am Main en Sint Petersburg ons tenminste een indruk gegeven van de reikwijdte van het netwerk van ondernemende Nederlanders.


Notes

1 C. Stolwijk, Uit de schilderswereld. Nederlandse kunstschilders in de tweede helft van de negentiende eeuw, Leiden 1998, p. 145.