Grensoverschrijdende inspiratie

RKD STUDIES

1.5 Transnationalisme

Dat er juist de laatste jaren meer aandacht is gekomen voor de internationale aspecten van de nationale negentiende eeuw is niet vreemd. Toen ik in september 1990 sprak op de Deutsche Kunsthistorikertag had ik al wel een computer, maar internet, e-mail, twitter en al die andere snelle media waren nog niet eens een droom. De muur die Europa zo lang in tweeën gedeeld had was nog maar net gevallen, de grondwet van het weer verenigde Duitsland zou pas een paar dagen later ondertekend worden. De lezingen over het nationalisme speelden zich daardoor af in een nogal onwerkelijke sfeer, waarbij er tussen de Oost en West-Duitse collega’s een aanzienlijke cultuurkloof bleek te bestaan.

Toen ik daarentegen in de zomer van 2011 in Berlijn het schilderij van die Dordtse dan wel Duitse G.A. Schmidt zag, waren we met een gps-ontvanger als gids, op de fiets op weg, via Polen en Kaliningrad met als eindbestemming Litouwen, dus door een regio waarin de Duitse, Poolse, Zweedse, Deense, Russische, Litouwse en nog veel meer geschiedenissen een onontwarbare kluwen vormen, maar waar ieders blik op de wereld gericht is. Ook in Kaliningrad zijn nu computerwinkels die niet van de filialen elders in de wereld te onderscheiden zijn.

De overweging om de Nederlandse kunst in een internationaal perspectief te willen zien kent inmiddels warme pleitbezorgers. In 1995 riep Ronald de Leeuw bij zijn oratie als bijzonder hoogleraar museumbeleid aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, de Nederlandse museumwereld op ook buitenlandse kunst te gaan verzamelen, en dus metterdaad afscheid te nemen van de nationalistische beoefening van de kunstgeschiedenis, die gestoeld is op de gedachte dat de nationale schilderscholen zich geheel op eigen kracht ontwikkelen. Aandacht voor internationale aspecten van de cultuur is op allerlei fronten: recent waren er symposia over de internationale identiteit van Van Gogh, over het internationale symbolisme, over de relatie Frankrijk – Nederland, en zoals al ik memoreerde, het symposium van de Werkgroep Negentiende Eeuw over kosmopolitisme.

Maar, zoals Henk van Os in 2003 in een pleidooi voor een Europese kunstgeschiedenis onderstreepte, al deze aandacht voor internationale aspecten moet worden begeleid door een fundamentele bezinning op kunstgeschiedenis en nationalisme.1 Zo’n fundamentele bezinning veronderstelt dat we ons niet alleen richten op de invloed van de ene nationale cultuur op de andere, op ‘Ausbreitung und Nachwirkung’. Het lijkt mij vruchtbaarder om, in het verlengde van de term ‘cultuurtransfer’ die door de organisatoren van deze bijeenkomst naar voren geschoven is, te kiezen voor een transnationale benadering. En dan leen ik graag de omschrijving van dat begrip zoals die gebruikt wordt voor de transnationale benadering van nota bene de neerlandistiek: ‘het articuleren van de complexe hybriditeit van culturen’.2 Voor zo’n grenzen overschrijdend perspectief op de kunst van de negentiende eeuw hebben we nu misschien wel meer dan ooit, de technische middelen, de mentale ruimte en de maatschappelijke noodzaak.


Notes

1 H. van Os, ‘Pleidooi voor een Europese kunstgeschiedenis’, De Groene Amsterdammer 128 (2004) nr. 3, pp. 28-30; ook verschenen in: H. van Os, Augustinus op het strand , Amsterdam 2008, pp. 113-119.

2 D. de Geest en P. Verstraeten, ‘Transnationaal, maar toch neerlandistiek?’, Internationale Neerlandistiek 48 (2010) nr. 4 http://www.internationaleneerlandistiek.nl/vol48/nr04/a08 (geraadpleegd: 1 oktober 2012).