Grensoverschrijdende inspiratie

RKD STUDIES

3.2 Leerschool in de provincie

De levenslange vriendschap van Granet en Forbin begon in Aix-en-Provence toen beide in de leer waren Jean-Antoine Constantin. Constantin had als schilder, tekenaar en prentkunstenaar een zekere reputatie had opgebouwd met op Hollandse kunst geïnspireerde landschappen en genrestukken. In zijn mémoires beschrijft Granet hoe hij in Constantins atelier een verzamelaar leerde kennen met wie hij meteen een voorliefde voor Rembrandt deelde en die hem een aantal prenten van onder andere Ostade en Teniers cadeau deed.1

In Lyon een iets andere situatie: allereerst lag de stad op de route van Nederland naar Rome, waardoor zij al eeuwenlang Nederlandse kunstenaars voorbij had zien komen.2 Daarnaast was het centrum van de stad tijdens de Franse Revolutie door de regering in Parijs gedeeltelijk vernietigd als represaille voor de opstanden in 1793, die meer dan contrarevolutionair vooral een aanklacht waren tegen de overheersende invloed van Parijs. Wantrouwen tegenover de Parijse almacht, en dus ook tegenover de Academie des Beaux-Arts en haar doctrine, heerste onder een groot deel van de bevolking.3 Als laatste stond de artistieke productie in Lyon voor een aanzienlijk deel in het teken van de lokale zijde-industrie. Veel van de jonge kunstenaars gingen na een studie aan de école royale académique de dessin als tekenaar werken voor de fabriek. In de classe des fleurs, de klas die voorbereidde tot het ontwerpen van bloemmotieven, leerden Richard en Révoil elkaar kennen. Kort daarop leerden zij ook Pierre-Toussaint Déchazelle kennen, een fabriekseigenaar die zelf ook ontwierp en hiervoor uitvoerig de schildertechnieken van de Hollandse school bestudeerde. Hij bestudeerde vooral de bloemschilderkunst van achttiende-eeuwse kunstenaars als Jan van Huijsum en Cornelis van Spaendonck. Dit deed hij volgens Richard zo goed, dat hij bijna van Van Huijsum wat wat Teniers et Metsu van Dou waren, namelijk, een waardige opvolger.4 Déchazelle was begaan met het lot van jonge kunstenaars en bracht zijn kennis van de Hollandse schildertechnieken graag over op jong talent.

Een andere lyonnese kunstenaar die een belangrijke rol speelde in de vroege artistieke ontwikkeling van de troubadour kunstenaars was Jean-Jacques de Boissieu - net als Constantin een petit maître die grote bewondering had voor Hollandse landschappen en genrestukken. Niet alleen liet hij er zich in zijn eigen werk sterk door liet inspireren, hij had bovendien naam gemaakt als maker van reproductieprenten naar bijvoorbeeld Ruisdael, Berchem en Swanevelt. Hij dankte hieraan onder meer zijn bijnaam als ‘hollandais égaré sur les bords riants de la Saône’, de aan de fraaie oevers van de Saône verdwaalde Nederlander.5 Boissieu had zich na de opstanden in 1793 over Forbin ontfermd die, als afstammeling van een oud adelijk geslacht, zijn vader en een groot deel van het familiefortuin in de opstand had verloren. Ook Boissieu deelde zijn kennis van de Hollandse en Vlaamse kunst met Forbin, Granet, Richard en Révoil, en met hun bevriende leeftijdsgenoot Jean-Michel Grobon.6

Grobon kreeg net als net als Révoil en Richard zijn eerste tekenlessen van Alexis Grognard. Hij had in 1796 al enig succes op de Parijse Salon met werken die door hun hoge mate van ‘realisme’, al snel met de Hollandse school werden vergeleken. Van iconologische duidingen van de Hollandse zeventiende eeuwse genrestukken had men toen nog niet gehoord en men zag deze kunst dan ook als letterlijke snapshots van het dagelijkse Nederlandse zeventiende-eeuwse leven. Deze registrerende werkwijze was ook het handelsmerk van Grobon die volgens Richard zo goed was in het schilderen naar natuur dat hij zonder de werken van de Hollandse meesters gezien te hebben hun procedés had ontrafeld. Grobon zou, net als Boissieu, niet graag aan een compositie iets toegevoegd hebben wat niet daadwerkelijk voor hem stond.7

Geen grote uitblinkers wat fantasie betreft deze provinciale petits maîtres, maar wel gedegen bestudeerders van de natuur, wiens werkwijze en de daaruit voorvloeiende realistisch gedetailleerde beeldtaal door contemporaine critici en kunstenaars veelvuldig met die van de Hollandse meesters werden vergeleken. Het waren deze mannen die de eerste artistieke stappen van de troubadour kunstenaars begeleidden en wiens lessen een leidraad bleven ook nadat Richard, Révoil, Granet en Forbin één voor één in Parijs aankwamen en geconfronteerd werden met de overdaad aan kunst aldaar. In het Louvre, waar Napoleon vanaf 1796 een nooit meer geëvenaarde verzameling internationale kunstschatten bij elkaar had gebracht, richtte de troubadour kunstenaars hun aandacht niet exclusief, toch veel op de Hollandse school. Granet kopiëerde Teniers, Forbin schreef Boissieu dat hij kopieën naar Ruisdael maakte en Révoil klaagde dat de aanwezigheid van de grote ‘coloristen’ Metsu, Rembrandt, Emmanuel de Witte en Jan van der Heyden het Parijse publiek veel te veeleisend maakte tegenover eigentijdse kunstenaars.8 Hoewel ze fijnschilders zeker waardeerden, bewonderden ze dus evengoed, net als hun leermeesters, het clair-obscur van Rembrandt, het coloriet van de Vlaming Teniers, en de landschappen Ruisdael. Daarbij hadden allen nog persoonlijke voorkeuren: voor de Salon van 1819 jubelde Forbin dat deze Salon ‘Granet zou uitroepen tot de moderne Rembrandt, en Révoil tot de Metsu van onze eeuw’.9


Notes

1 F.-M. Granet, ‘La vie de Granet’, Le Temps 28 september 1872, p. 3: ‘Cela lui plut, et comme lui-même gravait à l’eau-forte dans le genre de Rembrandt, nous fûmes tout de suite de bons rapports à cause de nos goûts pittoresques. Il me fit présent de quelques estampes d’Ostade et de Teniers et autres maîtres flamands.’ Met flamands wordt hier dus zowel Noord- als Zuid-Nederlands bedoeld.

2 Zie voor meer informatie over de artistieke relaties tussen Lyon en de Nederlanden : P. Durey, ‘Lyon, Flandre, Hollande. La collection nordique du Musée des Beaux-Arts et le contexte de sa formation’, in: H. Buijs en M. van Berge-Gerbaud, Tableaux flamands et hollandais du Musée des Beaux-Arts de Lyon, Lyon 1991, pp. VII-X en D. Ternois, Peintres et dessinateurs néerlandais à Lyon du XVIe au XVIIIe siècle, rapport de mission aux Pays-Bas. Séjours et passages d’artistes à Lyon, Lyon 1976, pp. 25–68.

3 M.-C. Chaudonneret, ‘Lyon: de la Révolution à l’Empire’, in: Chaudonneret e.a. 1989 (noot 2), pp. 26–41, vooral p. 27.

4 F. Richard, ‘Artistes Lyonnais: Déchazelle, Granet et Grobon. Déchazelle’, La Revue du Lyonnais, série 2, nr. 2 (1851), p. 48.

5 D.-J. de Boissieu, Notice sur la vie et les oeuvres de J.-J. de Boissieu, Parijs 1879, p. 31.

6 J.-B. Dugas-Montbel, ‘Éloge historique de M. J.J. de Boissieu, membre-correspondant de l’Institut de France’, Magasin Encyclopédique  6 (1810), pp. 241–287, vooral p. 262: ‘MM de Forbin, Granet, Richard, Grosbon, Révoil, qui tous ont réalisé les plus belles espérances s’enorgueillissent de s’être dirigés par ses avis.’

7 Richard 1851 (noot 11), pp. 54–56: ‘...d’une vérité de couleur, d’une finesse d’exécution et d’une harmonie comparables aux beaux Hollandais. [...] Sans avoir vu les œuvres des peintres hollandais, il a deviné leur procédés, car il l’en a l’éclat, la transparence et la finesse.’ En: H. Allemand, Causeries sur le paysage, Lyon 1877, p. 88: ‘M. Grobon, au point de vue de l’invention, de la fougue, ne brillait pas; sortez-le de ses études sur nature, il était très embarrassé s’il fallait y ajouter quelque chose qui ne fut sous ses yeux; mais quel praticien! Son imagination était très courte et il avait cela de commun avec M. de Boissieu, le graveur et dessinateur.’

8 F-M. Granet, ‘La vie de Granet’, Le Temps 29 september 1872, p. 3: ‘...parmi les grands maîtres, ceux que je comprenais le mieux. David Teniers avait pour moi le plus de charme. Je trouvais sa touche si spirituelle et ses compositions si variés, que je fus entraîné à copier son charmant tableau de l’Enfant prodigue, qui se trouvait au Musée du Louvre.’ Idem, Le Temps 1 oktober 1872, p. 3: ‘...toutes mes idées roulaient sur la belle école flamande. David Teniers, Rembrandt étaient pour moi les maîtres que je préférais et que je comprenais le mieux. Je pouvais les voir dans la galerie du Louvre; c’était une consolation pour moi.’ Brief van Forbin aan Boissieu, Parijs, september 1796, Archives Boissieu, geciteerd uit: M.-F. Perez, ‘Quelques lettres concernant Jean-Jacques de Boissieu (1736–1810)’, Archives de l’Art Français, nouvelle période, 28 (1986), pp. 115–132, vooral p. 121. Brief van Révoil aan Granet, 25 mei 1806, Aix-en-Provence, Musée Paul Arbaud, inv.nr. mq429.74: ‘...les succès y deviennent d’autant plus difficiles que, d’une part, l’ecole fait des progrès continuels, et que de l’autre, le spectacle public d’une galerie pleine de chefs-d’oeuvres rend les Parisiens plus exigeants à notre égard. Le voisinage de Metsu, de Rembrandt, de Witte, de Heyden etc., est si redoutable, ces grands coloristes plaident si glorieusement contre nous!!!’

9 Brief van Forbin aan Révoil, Parijs 22 juli 1819, privé archief, geciteerd uit: Chaudonneret 1980 (noot 2), p. 25: ‘Cette exposition proclamera Granet le Rembrandt moderne et Révoil le Metzu de notre siècle.’