3.3 Naar de natuur
Het zorgvuldig naschilderen naar de natuur werd een belangrijk aspect van de schildermethode van de troubadour kunstenaars. Richards idee om ‘gotische monumenten te bevolken met personages uit hun eigen tijd’1 krijgt wel een heel letterlijke betekenis in bijvoorbeeld Richard’s Scène in een kapel in ruïne [4]. De kapel in kwestie, de inmiddels verdwenen Chapelle de l’Observance in de buurt van Lyon, is door Richard door de twee personages die hij er later begonnen is in te schilderen omgetoverd tot een middeleeuws decor.
Hoewel deze werkwijze niet de regel was, illustreert zij goed hoe ook de troubadour kunstenaars voor hun schilderijen veel terugvielen op de imitatie van de bestaande werkelijkheid. Naast middeleeuwse gebouwen bestudeerde ze ook allerlei soorten objecten. De sculpturen in het Musée des monuments français zijn hier een voorbeeld van, maar de kunstenaars verzamelden ook meubels, wapens, kostuumonderdelen en andere objecten, die ze zo waarheidsgetrouw mogelijk in hun composities verwerkten. De verzameling middeleeuwse objecten van Révoil was zelfs in zijn eigen tijd al beroemd en vormt nu de kern van de collectie middeleeuwse objecten van het Louvre. Het oproepen van een specifiek tijdsbeeld met bijbehorende architectuur, kostuums, meubels en tradities was een van de belangrijkste merites van deze composities - doorgaans belangrijker dan het plot, dat vaak anekdotisch was. Wanneer men dit vergelijkt met de eigentijdse historieschilderkunst, waarin volgens de academische doctrine details ondergeschikt moesten zijn aan het plot, is het dus weinig verbazend dat de troubadour schilderijtjes toch vooral als genrekunst werden gezien, ondanks hun historische onderwerpen.
Kleur en uitvoering
Richard zelf noemt in zijn memoires de kleur en de uitvoering die hij van de Hollandse meesters heeft ‘geleend’. Wat hij hier precies onder verstond, heeft wederom alles met de bestudering en imitatie van de natuur te maken. Onder kleur verstond men hierbij niet zozeer kleur in haar meest pure vorm, maar meer dat wat Roger de Piles aan het begin van de achttiende eeuw had beschreven als ‘couleur locale’: weergave van kleuren zoals zij door het oog worden waargenomen, beïnvloed door lichtval, schaduw en de reflectie van kleuren van omringende objecten.2 Révoil had Metsu, Rembrandt, De Witte en Van der Heyden niet voor niets coloristen genoemd: in zijn ogen beheersten vooral deze meesters met hun genuanceerd clair-obscur en effecten van reflectie de kunst van de waarheidsgetrouwe ‘couleur locale’. Wat het element uitvoering betreft, is het duidelijk de eerder al besproken vogue voor de fijnschilders die bepalend is geweest. In 1806 schrijft een criticus dat de Franse school ‘als het om de afwerking en nauwkeurige perfectie gaat, niet jaloers hoefde te zijn op de Hollandse school’ en dat het, om hiervan overtuigd te raken, ‘voldoende was om een blik te werpen op de werken van Richard en Grobon.’3 Waar Roger de Piles bijna honderd jaar eerder had gesteld dat deze minutieuze manier van schilderen tegenstrijdig was aan het hartstochtelijke kunstenaarsgenie, zag een andere groep kunstenaars het als een uiting van geduld, toewijding en vakmanschap. De hoge prijzen die voor werken van Dou, Metsu en Van Mieris werden betaald bevestigden dit in hun ogen, net als het succes dat ze zelf met deze schildertechniek hadden.4

4
Fleury François Richard
Scène in een kapel in een ruïne
Lyon, Musée des Beaux-Arts de Lyon, inv./cat.nr. 1988-4-III-9
Notes
1 Onuitgegeven autobiografische notitie Richard aan Alexandre Humbert Châtelain (1778–1852), Lyon, 24 september 1827, Lyon, Musée des Beaux-Arts, inv.nr. 2005–94: ‘...peupler nos monuments gothiques des personnages de leur siècle, et d’offrir par ce moyen des scènes familières qui présentaient plus d’intérêt que des sujets tirés des évènements de nos jours.’
2 R. de Piles, Cours de peinture par principes, Parijs 1708, p. 303: ‘...le Coloris est une des Parties essentielles de la Peinture, par laquelle le Peintre fait imiter les apparences des couleurs de tous les objets naturels, & distribuer aux objets artificiels la couleur qui leur est la plus avantageuse pour tromper la vûe’ en ‘Cette partie comprend la connaissance des couleurs particulieres, la simpathie & l’antipathie: qui se trouvent entr’elles, la maniere de les employer & l’intelligence du Clair-obscur.’
3 P.-J.-B. Chaussard, Le Pausanias français. État des arts du dessin en France, à l’ouverture du XIXe siècle. Salon de 1806, Parijs 1806, p. 70: ‘[l’école française] paraît dans les autres n’avoir rien à envier à l’école Hollandaise, relativement au fini et à la perfection laboureuse. Il suffit pour s’en convaincre, de jeter un coup-d’oeil sur les Tableaux de Richard, et particulièrement sur ceux de Grobon.’
4 F. Richard, ‘Quelques réflexions sur l’enseignement de la peinture dans les villes de second ordre’, La Revue du Lyonnais, série 2, nr. 4 (1852), pp. 273–295, vooral p. 279.