3.4 Conclusie
Voor het grote publiek waren de troubadour schilderijtjes vooral een begrijpelijke en herkenbare kunst die de toeschouwer, door het gesuggereerde realisme, het idee gaven getransporteerd te worden in de historische werkelijkheid van het schilderij. De aandacht voor detail en atmosfeer appelleerde aan de wens van het publiek om alles te weten te komen over het middeleeuwse Frankrijk, en over de leefgewoonten van de nationale helden die deze periode bevolkten. Precies zo dacht men destijds door de Hollandse genrestukken ook te weten hoe de zeventiende-eeuwse Nederlanders leefden. Het anekdotisch genre, zoals een criticus opmerkte, liet het publiek de mens achter de helden zien.1 Dat deze visuele referenties naar de Hollandse school in schilderijen over de Franse nationale geschiedenis niet als problematisch werden ervaren kwam dus voornamelijk door het feit dat de troubadour schilderijen toch vooral als genrestukken werden gezien, zei het opzettelijk ‘veredeld’ door de historische onderwerpkeuze en classicistische invloeden in de weergave van figuren. Door de toenemende interesse van Franse verzamelaars voor Hollandse genreschilderkunst, en voor de fijnschilders in het bijzonder, waren grote aantallen van dit soort schilderijen en prenten het land binnengestroomd en had zich al in de loop van de achttiende eeuw in Frankrijk een traditie van hollandiserende genreschilderkunst ontwikkeld. De schildertechnieken van de Hollandse school raakten losgekoppeld van de culturele voedingsbodem waar zij uit ontstaan waren en werden toegeëigend door verschillende generaties Franse genreschilders. Ook Constantin, Déchazelle, Boissieu en Grobon gaven hun kennis van de Hollandse kunst weer door aan een volgende generatie en zetten zo de traditie voort, zonder dat zij zich inhoudelijk interesseerden voor de Nederlandse samenleving en cultuur. Waren de ‘Hollandse school’ en de ‘Hollandse’ schildertechnieken waar de troubadour kunstenaars op terugvielen dus eigenlijk niet een Franse creatie? Een Franse Hollandse school? Kunstenaars en kunstcritici aan het begin van de negentiende eeuw lijken, zoals aan het begin van dit verhaal bleek, weinig problemen te hebben gehad met deze dualiteit. Zijn wij het niet zelf die, door de kunstgeschiedenis van de negentiende eeuw te willen zien als een verhaal van nationale schilderscholen, onszelf in de weg zitten? Het voorbeeld van de toubadour kunstenaars is een van de vele die de beperkingen aan het denken in nationale schilderscholen aangeven en laten zien dat er nog veel te winnen valt door voorbij deze categorisering te kijken.
Notes
1 E.-F.-A.-M. Miel, Essai sur les beaux-arts et particulièrement sur le Salon de 1817, Parijs 1817, p. 290: ‘...quelques artistes n’ont pas craint de badiner avec la muse de l’histoire. Ils nous ont présenté les rois dans leur intérieur, et nous ont fait voir l’homme dans le héros. Plus simples, plus rapprochés de nous, ces personnages historiques nous plaisent davantage.’