4. Blik over de grens. De betekenis van het Duitstalig spraakgebied voor Remigius van Haanen (1812-1894)
Manon van der Mullen
Het Duitstalig spraakgebied is opvallend lang, veel langer dan bijvoorbeeld België of Frankrijk, buiten beschouwing gelaten in het onderzoek naar de artistieke uitwisseling tussen Nederland en andere Europese landen. Een verklaring hiervoor is moeilijk te geven, temeer omdat vooral Duitsland al vanaf de zeventiende eeuw een geliefde uitvalsbasis voor Nederlandse kunstenaars was.
In totaal hebben meer dan driehonderd kunstenaars in de negentiende eeuw korte of langere tijd in Duitsland doorgebracht. Een groot aantal van hen, ongeveer de helft, vervaardigde hoofdzakelijk landschappen. Deze groep werd door hun zoektocht naar andere motieven misschien wel het meest aangemoedigd om de grens over te gaan, waardoor ze een directe relatie met hun buurland aangingen. De redenen die kunstenaars hadden om de grens over te steken liepen uiteraard uiteen, van de zoektocht naar nieuwe motieven en het verkennen van opleidingsmogelijkheden aan één van de vermaarde Duitse academies, tot het doelbewust uitbreiden van hun netwerk van vakgenoten en kunsthandelaren om hun werk op tentoonstellingen en via de kunsthandel nog beter voor het voetlicht te brengen. De middelen om dit te bereiken verschilden ook: Van korte reisjes langs de Rijn met collega’s zonder intensief contact met buitenlandse reisgenoten of de lokale bevolking, tot intensieve, al dan niet tot in detail geplande reizen waarbij veel contacten met vakgenoten en kunsthandelaren werden aangeknoopt met soms zelfs emigratie tot gevolg.

Omslag afbeelding
Remigius Adrianus Haanen
Tiroler landschap, 1837 gedateerd
Breda, Stedelijk Museum Breda
Kunstenaarsreizen: bestemmingen en overlevering
Hoewel we sporen van Nederlandse kunstenaars door bijna heel Duitsland kunnen traceren, waren er enkele gebieden die duidelijk populairder waren dan andere, veelal vanwege de imposante berg- en rotspartijen. Langere reizen voerden naar gebieden als Beieren (Joseph Hartogensis), Baden-Württemberg (Hendrik van de Sande Bakhuyzen) en het Harzgebergte (Johannes Tavenraat), terwijl kortere studietrips leidden naar de omgeving van Düsseldorf. Ook Kleef was uiteraard een populaire bestemming en zou een nog grotere aantrekkingskracht gaan uitoefenen, toen Barend Cornelis Koekkoek zich er in 1834 vestigde. Daarnaast steeg het aantal reizigers naar de Eifel, het gebied rondom het Ahrdal, nadat een tunnel vanaf 1835 de regio beter toegankelijk had gemaakt.1
Veruit de populairste bestemming was echter het Duitse stroomgebied van de Rijn en dan met name de Midden-Rijn tussen Bingen en Bonn. Rijnromantici waren gefascineerd door de vele sagen en legenden waarin het gebied een rol speelde. Met name het gematigde Zevengebergte met als hoogtepunt de Drachenfels trok veel kunstenaars aan, onder wie Cornelis Lieste en Hendrik Lot [1]. Er stak dan ook een storm van protest op toen de berg aan het begin van de negentiende eeuw ten onder dreigde te gaan aan de steenwinning. Uiteindelijk werden deze activiteiten verboden, waarna de steenhouwers geld verdienden met het heffen van toegang voor de top van de berg [2].2

1
Hendrik Lot
Het ochtendgloren
Private collection
Deze reizen naar Duitsland werden doorgaans goed voor het thuisfront gedocumenteerd en soms ook geïllustreerd. Naast kunstenaars als Gerard van Nijmegen, vader en zoon Christ en Koekkoek, waren het voornamelijk dilettanten en schrijvers die alles vaak zeer gedetailleerd in woord en beeld vastlegden en hun verslagen aanvulden met gekochte ansichtkaarten. Dergelijke reisverslagen werden al vanaf ongeveer 1775 gepubliceerd en vormden een inspiratiebron voor eenieder die plannen had om een blik over de grens te werpen. Na de invoering van de reguliere stoombootdienstregeling in 1827 steeg het aantal reizigers naar met name het Rijngebied explosief en nam het aantal publicaties toe. Er zijn ongeveer 283 gepubliceerde reisbeschrijvingen van de Rijn bekend, die samen ongeveer 10.000 afbeeldingen bevatten en die voornamelijk tussen 1790 en 1870 werden uitgegeven.3 Daarnaast publiceerden toonaangevende kunsttijdschriften zoals Kunstkronijk naast recensies van Duitse tentoonstellingen ook korte reisverslagen.4

2
Toegangskaart voor de Drachenfels, 30 april 1834
Siebengebirgsmuseum Kolênigswinter
Notes
1 M. van Heteren en J. de Meere, Fredrik Marinus Kruseman 1816-1882. Painter of Pleasing Landscapes, Schiedam 1998, pp. 38-39.
2 Website van het Siebengebirgsmuseum in Königswinter: http://www.siebengebirgsmuseum.de/index.php/natur-und-denkmalschutz (geraadpleegd: 15 november 2011).
3 M. Schmitt, Die illustrierten Rhein-Beschreibungen. Dokumentation der Werke und Ansichten von der Romantik bis zum Ende des 19. Jahrhunderts, Keulen/Weimar/Wenen 1996, p. X.
4 Vgl. J.J. van Oosterzee, ‘Uit de Hartz en Thüringen’, Kunstkronijk (1851), pp. 12-15 en A. Ising, ‘De Dom van Keulen en Het Dorpje Ninane. Twee bladen uit een reisjournaal’, Kunstkronijk (1852), pp. 31-36.