4.1 Remigius van Haanen en zijn familie
Eén van de meest kosmopolitische kunstenaars in deze tijd was Remigius van Haanen.1 Zijn vader Casparis Haanen was kunsthandelaar en kunstenaar en woonde achtereenvolgens in Utrecht, Oosterhout en vanaf 1830 in Amsterdam. Samen met zijn vrouw kreeg hij twee zonen, George en Remigius, en twee dochters, Elisabeth en Adriana. Alle kinderen zouden succesvolle kunstenaars worden, zij het in verschillende genres. George Haanen ging in de leer bij de Utrechtse kunstenaar Bruno van Straaten en werd docent bij het genootschap Kunstliefde. Hij vervaardigde aanvankelijk vooral stadsgezichten en interieurs [3].
Georges broer Remigius bleef in eerste instantie trouw aan de stijl en onderwerpkeuze van zijn broer. In 1828, twee jaar nadat George zich in Hilversum had gevestigd, reisde Remigius hem vanuit Oosterhout achterna. Daar ontwikkelde hij, geïnspireerd door de omgeving en door zijn contact met de vee- en landschapsschilder Jan van Ravenswaay, een voorliefde voor landschappen [4].

3
George Gillis Haanen
De avondschool, 1835 gedateerd
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. S 5698
Na een kort verblijf in Gelderland en Amsterdam bij zijn familie, vertrok Remigius naar de Veluwe en vanaf daar nam hij het besluit om de Duitse grens over te gaan.2 De biografen Immerzeel, ook een huisvriend van de familie, en Wurzbach vermelden zijn onbedwingbare drang om te reizen om zo het buitenland te ontdekken. Remigius leek dat laatste zelf te erkennen, toen hij in 1834 aan Immerzeel schreef dat hij eigenlijk geen concrete plannen had en zou berusten in wat het lot voor hem in petto had.3 Geheel onvoorbereid zal hij echter naar alle waarschijnlijkheid niet zijn geweest, aangezien hij in Nederland omringd was door ervaren Duitsland-gangers, zoals Jan van Ravenswaay en mogelijk ook Koekkoek, die tegelijkertijd met George in Hilversum verbleef.4

4
Remigius Adrianus Haanen
Landschap met boerderijtje in West-Brabant, 1829 gedateerd
Breda, Stedelijk Museum Breda
Blik over de grens
Na de Veluwe reisde Remigius een half jaar langs de Rijn, waarna hij begin oktober 1833 aankwam in Frankfurt am Main, een populaire uitvalsbasis voor reizigers die onderweg waren naar Midden-Europa. Hier besloot hij langer te blijven, waarschijnlijk ongeveer anderhalf jaar, omdat de streek hem aansprak en zijn werk in de smaak bleek te vallen.5 Wat er tussen 1835 en 1837 gebeurde is niet eenvoudig te reconstrueren. Begin 1837 verhuisde Remigius in ieder geval voor bijna vijf maanden naar Stuttgart, waar hij onder andere aan zijn Berglandschap in Tirol werkte [5].6
Dit werk en het oeuvre van kunstenaars als Tavenraat en Hanedoes laat zien dat een veelvuldig geplaatste opmerking dat het weergeven van bergachtige landschappen een niche was waar alleen buitenlandse kunstenaars instapten, herzien moet worden.7 In dezelfde periode maakte Remigius twee pendanten met daarop een gezicht op Stuttgart in een ongewoon ouderwetse stijl, waarna hij dit genre definitief de rug zou toekeren [6-7]. In de zomer van 1837 reisde Remigius verder naar München en Salzburg om vervolgens Tirol te bezoeken en uiteindelijk in de herfst van 1837 in Wenen aan te komen.8

5
Remigius Adrianus Haanen
Tiroler landschap, 1837 gedateerd
Breda, Stedelijk Museum Breda

6
Remigius Adrianus Haanen
Gezicht op Stuttgart, 1837 gedateerd

7
Remigius Adrianus Haanen
Gezicht op Stuttgart, 1837

8
Remigius Adrianus Haanen
Winter in Holland, 1849 gedateerd

9
Adriaen van de Velde
Winterlandschap
Philadelphia (Pennsylvania), Philadelphia Museum of Art - John G. Johnson Collection, inv./cat.nr. 603
Remigius’ keuze om Wenen te bezoeken lag eigenlijk voor de hand, omdat daar de landschapsschilderkunst onder invloed van de academie al langer in hoog aanzien stond dan in Nederland. Na het Weens Congres van 1815 floreerde de kunstmarkt door de toenemende welvaart van de middenklasse en de landschapsschilders profiteerden hiervan. Remigius was in Duitsland en direct na aankomst in Wenen steeds productiever geworden en kon daardoor in 1838 al vijf stukken aanleveren voor de jaarlijkse tentoonstelling van de Weense academie.9 Deze werken hadden onderwerpen die in het buitenland erg geliefd waren: kustgezichten en Hollandse winterlandschappen. Terwijl lokale kunstenaars de voorkeur gaven aan zomerse landschappen, kon Remigius moeiteloos in de niche van het winterlandschap stappen.10 Hierbij had Remigius een voorkeur voor pittoreske ijsvlaktes aan de ene kant en overweldigende, beboste berglandschappen aan de andere kant, waarbij hij door Weners werd geroemd om zijn technische vaardigheden en het warme kleurgebruik [8]. Om dit te bereiken keek hij waarschijnlijk goed naar zeventiende-eeuwse meesters als Adriaen van de Velde, die net als hij koos voor sobere composities en een extreem lage horizon [9]. Later zouden ook Remigius’ riviergezichten bij maanlicht populair worden.
In het begin van zijn Weense periode hield Remigius nog tamelijk vast aan de Nederlandse standaard met Koekkoek als belangrijkste contemporaine inspirator: verfijnde, tot in detail uitgewerkte landschappen met een subtiele lichtwerking, een helder koloriet en een gladde toets. Maar naarmate Remigius langer in Wenen was werd zijn stijl steeds persoonlijker, diverser en de weersomstandigheden in zijn landschappen onheilspellender. Ook zijn techniek werd, geheel in lijn met de ontwikkelingen van zijn tijd, minder braaf; de horizon kwam hoger te liggen en de toets werd grover [10].
Ook George Haanen bleef reislustig, zij het in mindere mate dan zijn broer. In de jaren veertig woonde hij korte tijd in Keulen, waar hij uiteindelijk naar zou terugkeren en reisde hij naar Mainz en Frankfurt.11 In 1844 - hij was destijds ook woonachtig in Wenen op een eigen adres - nam hij met één werk deel aan de tentoonstelling van de Weense academie en in 1851 verkocht hij minstens drie werken aan Oostenrijkse verzamelaars.12 Ook George had zich inmiddels nieuwe genres eigen gemaakt, namelijk landschappen en nachtstukken [11]. Toch was zijn stijl anders dan die van zijn broer en om ze uit elkaar te houden, gaven kunstcritici hun bijnamen. Remigius werd Schnee van Haanen of Wasserhaanen genoemd en zijn broer Feuerhaanen, omdat hij vaak vuurpartijen in de nacht afbeeldde en verlichte interieurs. Dat leidde tot commentaar als: ‘Er, der Feuerhaanen, hält es mit Lampenlicht und Brand, ja Brände weiss er oft so täuschend darzustellen, dass man den Wasserhaanen zuhilferufen möchte’.13

10
Remigius Adrianus Haanen
Een rotsachtig landschap bij maanlicht, 1850 gedateerd

11
George Gillis Haanen
Oostenrijks landschap, 1822-1879
Private collection
Notes
1 Brief van G.A.P. Bax aan onbekende ontvanger, d.d. 6 april 1887, Noord-Hollands Archief (NHA), inv.nr. 476-2.2.3-459 Map 33. Remigius noemde zichzelf ‘van Haanen’, hoewel de familienaam ‘Haanen’ was. In april 1887 liet hij deze naamswijziging officieel doorvoeren door advocaat Bax.
2 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 24 juni 1832, Koninklijke Bibliotheek (KB), inv.nr. 133C12.
3 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 22 april 1834, KB, inv.nr. 133C12.
4 A. Nollert, Barend Cornelis Koekkoek 1803-1862. Prins der Landschapschilders, Dordrecht/Kleef/Zwolle 1997, pp. 14-15.
5 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 22 april 1834, KB, inv.nr. 133C12.
6 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 18 juli 1837, KB, inv.nr. 133C12.
7 Bijv. R. de Leeuw, 'Die Darstellung der Landschaft im 18. und 19. Jahrhundert’ in: W. Loos, R.-J. te Rijdt en M. van Heteren (red.), Niederländische Landschaftsmaler. Meisterwerke des 18. und 19. Jahrhunderts, Stuttgart/Zürich 1997, p. 26.
8 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 18 juli 1837, KB, inv.nr. 133C12.
9 Reçu van Remigius van Haanen voor de tentoonstellingscommissie van de Weense academie, d.d. 12 maart 1838, Wienbibliothek (WB), inv.nr. IN158.825. Genoemde werken: Seelüfte bei Sonnenaufgang; Winterlandschaft, Gegend bei Haag; Winterlandschaft, Waldgegend bei Haag; Kleines Seestück bei Mondbeleuchtung en Eine holländische Marine bei Mondbeleuchtung. De tentoonstellingscatalogus bevestigt dat alle werken daadwerkelijk te zien waren.
10 C. von Wurzbach, Biographisches Lexikon des Kaiserthums Oesterreich enthaltend die Lebensskizzen derjenegen Personen, welche seit 1750 in den österreichischen Kronländern gelebt und gewirkt haben, dl. 6, Wenen 1860, p. 102.
11 Pieter A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, dl. 1, ’s-Gravenhage 1969-1970, p. 116.
12 Wurzbach 1860 (noot 14), p. 100.
13 F. Faber (red.), Conversations-Lexikon für Bildende Kunst, dl. VI, Leipzig 1853, p. 252. ‘Hij, de Vuurhaanen, houdt van lamplicht en brand, ja branden weet hij vaak zo bedrieglijk weer te geven, dat men de Waterhaanen te hulp roepen wil’.