4.2 De Haanens en de kunsthandel in Duitsland en Oostenrijk
Ook in de kunsthandel werd in de eerste helft van de negentiende eeuw op internationaal niveau samengewerkt. Zo stond Willem de Gruyter in contact met Rudolph von Weigel in Leipzig, Schmidt in Dresden en Nikolaus Baranowsky in Bad Homburg. Kunsthandel Buffa had klandizie in Zuid-Duitsland en Zuid-Tirol, terwijl Albertus Brondgeest en Cornelis Roos correspondeerden met hun Hamburgse collega’s Georg Ernst Harzen en Johann Matthias Commeter. Bovendien werden Nederlandse kunstenaars al in de jaren veertig uitgenodigd om hun werken naar Duitse tentoonstellingen te sturen en waren collega’s uit Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland sterk vertegenwoordigd op de Tentoonstellingen van Levende Meesters, met in totaal 319 werken tot 1860.
De familie Haanen kon voor de verkoop van hun werk leunen op een brede kring aan invloedrijke tussenpersonen en een trouwe klantenkring, zoals blijkt uit het liber veritatis van George.1 Hierin is ook te zien dat werken voor aanzienlijke bedragen van eigenaar wisselden. Verder zorgde niet alleen Casparis Haanen zelf voor klandizie, maar bemiddelden ook belangrijke figuren als Jeronimo de Vries en Johannes Immerzeel jr. regelmatig uit naam van de Haanens.
Met name Remigius besloot om tijdens zijn verblijf in Wenen ook zelf actief een netwerk van kopers op te zetten. In 1837 vermeldde hij in een brief aan Immerzeel voor het eerst dat hij zichzelf als tussenpersoon had opgeworpen voor een Weense vriend, de kunstenaar en kunsthandelaar Johann Matthias Ranftl. In de brief schreef Remigius dat Ranftl van plan was om naar Nederland te reizen voor de aankoop van enkele kunstwerken en dat hij Remigius om enkele contacten had gevraagd, waarna Remigius de hoop uitsprak dat Immerzeel dit verzoek voor hem zou oppakken.2
Remigius werd in Wenen ook enkele keren door Nederlandse collega’s benaderd met de vraag of hij als intermediair voor hen kon fungeren. In 1843 blijkt uit een brief van Remigius dat verschillende Nederlandse kunstenaars werk naar hem opstuurden in de hoop dat hij ervoor kon zorgen dat ze op de eerstvolgende tentoonstelling van de Weense academie te zien zouden zijn. Op dit verzoek reageerde Remigius echter ontwijkend.3
Daarnaast werkte Remigius voor de vooraanstaande, Nederlandse kunsthandelaar Willem de Gruyter, die hij via zijn vader Casparis had benaderd om te vragen of hij vanuit Wenen iets voor hem kon betekenen. De Gruyter reageerde meteen heel enthousiast, omdat Remigius naar zijn idee over genoeg mogelijkheden beschikte om de werken voor het voetlicht te brengen.4 Remigius bleek echter een veeleisende zakenpartner. Nadat hij de eerste zending van De Gruyter ontvangen had, schreef Remigius hem een woedende brief waarin hij de toegestuurde werken omschreef als ‘uitschot dat de porto niet waard was’.5 De Gruyter reageerde op zijn beurt furieus op het in zijn ogen hooghartige gedrag en het gebrek aan respect ten opzichte van hemzelf en de oude meesters. Hij benadrukte dan ook dat Remigius pas echt een goede kunsthandelaar was als hij ook werken van minder hoge kwaliteit zou kunnen verkopen, aangezien ‘het geen kunst is, iets goeds te verkopen’.6 Desondanks eindigde De Gruyter zijn brief vleiend en gaf hij aan dat hij toch nog relatief goedkope tekeningen van onder andere Schelfhout en Abels had meegestuurd in de hoop dat Remigius iets voor hem zou kunnen betekenen, aangezien ‘er in ons land geen een is die zulks doen kan’.7
Remigius was niet alleen op persoonlijke titel actief, maar handelde ook in opdracht van Artaria, de meest prestigieuze kunsthandel van Wenen met een rijke, invloedrijke en internationale clientèle. Aan Artaria wist hij volgens een overgeleverd reçu ten minste twaalf werken van Nederlandse, contemporaine meesters te verkopen, zoals Hoppenbrouwers, Rochussen, George Haanen, Koster, Schelfhout, Van der Kaa, Dreibholtz en Verveer.8
Nieuwe klandizie in Oostenrijk
De gebroeders Haanen verzamelden in Oostenrijk een invloedrijke schare mecenassen om zich heen, die allemaal op hun beurt ook weer een indrukwekkend netwerk hadden. In brieven van en aan Remigius komen namen als die van de intellectueel Nikolaus Lenau voor en van de machtige, kunstlievende bankiersfamilie Dumba. Bovendien kocht een vaste groep liefhebbers hun werk via de Österreichische Kunstverein, waarvan beide broers lid waren. Daar duiken namen op als Graaf Andrassy, Rudolf Edler von Arthaber en de keizer zelf.9 Naast werk van de Haanens werd er ook regelmatig werk van Nederlandse collega’s als Koekkoek, Schelfhout, Weissenbruch en Leickert verkocht en het is niet ondenkbaar dat Remigius bij deze verkopen een rol speelde.
Toch was Remigius ook zijn contacten in Duitsland niet vergeten. Hij bemiddelde vanuit Wenen nog steeds voor Duitse kunsthandelaren en verzamelaars, waarbij hij regelmatig eigen werk meestuurde. Eén van zijn belangrijkste contactpersonen was de verzamelaar Maria Belli-Gontard in Frankfurt, die Remigius’ hulp inschakelde bij de aankoop van autografen. Daarnaast deed hij zaken met de kunsthandelaren Louis Friedrich Sachse en Adolph Theodor Gerstäcker in Berlijn, van wie laatstgenoemde enkele werken van Remigius bezat.10 Remigius zelf reisde ook minimaal twee keer naar Berlijn om de contacten aan te halen. Zijn belangrijkste contactpersoon in Leipzig was de kunsthandelaar Rudolph von Weigel met wie hij en Remigius’ vrouw Emilie regelmatig correspondeerden. Later zou hij ook in contact komen met de kunstvereniging in Bremen, waar hij in ieder geval in 1854 en in 1863 exposeerde.11
Notes
1 Een kopie van het liber veritatis van George Haanen bevindt zich in de collectie van het RKD, standplaats BD/1372 – NEG/Ned.I/Tekenkunst/Diversen.
2 Brief van Remigius van Haanen aan Johannes Immerzeel jr., d.d. 18 juli 1837, KB, inv.nr. 133C12.
3 Brief van Remigius van Haanen aan onbekende ontvanger, d.d. 6 maart 1843, WB, inv.nr. IN234.783.
4 Brief van Willem de Gruyter aan Remigius van Haanen, d.d. 13 februari 1840, Fondation Custodia/Coll. F. Lugt, Paris (FC), onbekend inv.nr.
5 Brief van Willem de Gruyter aan Remigius van Haanen, d.d. 29 mei 1840, FC, onbekend inv.nr.
6 Ibidem.
7 Ibidem.
8 Rekening opgesteld door Remigius van Haanen voor Artaria, d.d. 22 januari, WB, inv.nr. 75971.
9 Anoniem, Verzeichniss der Mitglieder des Oesterreichischen Kunst-Vereins in Wien. Nach dem Stande am 31. October 1851.
10 Anoniem, Catalog des von Herrn Adolph Theodor Gerstäcker. Inhaber der bekannten Kunsthandlung Schenk und Gerstäcker zu Berlin, hinterlassenen bedeutenden Lagers von Kupferstichen, Radirungen, Holzschnitten, Kupferwerken, Kunstbüchern etc. etc., Leipzig 1856, pp. 74, 79.
11 Brief van Remigius van Haanen aan het bestuur van de Kunstverein te Bremen, d.d. 7 februari 1854, Rijksprentenkabinet (RPK), onbekend inv.nr.